HOME leidenwaterstad logo
Leuk! UNIVERSITEIT LEIDEN   Universitaire bibliotheek Leiden GILDE LEIDEN
 
 

 

De Sprookjesverteller.

Omdat we toch niet meer werken gaan we vandaag een cruise maken met twee vrienden naar West-Indië.
Na twee keer vliegen vanaf Schiphol gaan we aan boord op Mallorca.
Het cruiseschip ligt als een enorm wit, drijvend flatgebouw glanzend in de zon op ons te wachten. Filipino’s als bemanning in het gelid bij de loopplank. Driehonderd man personeel  (het kader allemaal West-Europees).
Achthonderd Engelse passagiers  en vier Hollanders ( dat zijn wij). Handig als je iets vals over iemand wilt zeggen, want Engelsen verstaan meestal alleen Engels.
Als je niet tussen de Nederlanders wilt reizen boek je een reis in Engeland.
Ik zie langs de haven dat ik de enige vrouw ben met 1 koffer, de rest heeft er minimaal acht.
Ook geen beauty-case, mede omdat er bij mij toch weinig beauty meer over is na vijftig jaar
en ik houd er van om alles in een toilettas te kieperen.
Je kunt zelfs, als je dat nodig vindt, een soort van kelderbox huren onder in het schip, voor extra kleding ruimte.
Onze zeereisvrienden zijn een homopaar en al jarenlang vrinden en collega’s. Ik ga dus eigenlijk met anderhalve man op reis.
Omdat een van hen ernstig diabetes heeft, ijzen we voor het vroege diner. Het gaat hier in ploegen vanaf half zeven of half negen.
Een van de vrienden heeft jarenlang als steward op de Holland Amerika Lijn gevaren en kent de chefkok. Een enorme Argentijn  met een zwaar Spaans accent in zijn Engels. Hij leidt ons rond over het schip. Achter de coulissen in reusachtige keukens en voorraadkamers.
Mijn wederhelft zit de eerste dag al vanwege de deining bij de scheepsarts voor een injectie tegen kotsen. Dat helpt gelukkig 30 dagen. Ik heb nergens last van.
Na Madeira steken we over naar Barbados. Vijf dagen over de oceaan langs de Azoren in het uur van de evenaar. Kokendheet en weinig wind. Nachts een waanzinnig mooie sterrenhemel, alsof je door het heelal zweeft. Ook word ik er melancholiek van. Je gaat vanzelf over het eindige en het oneindige nadenken, maar ik houd van iemand en dat kunnen veel mensen aan boord niet zeggen, die reizen alleen.
Je houdt pas echt van iemand als je je nog steeds ergert aan kleine dingen. Het zou niet best zijn als je totaal niet meer geïnteresseerd bent in elkaar na dertig jaar. Je moet nog altijd met elkaar kunnen lachen en praten en elkaar een beetje pesten.
Ik erger me aan hem omdat hij een belachelijk dure auto koopt of een winterjas en Italiaanse merkschoenen en vervolgens zijn oude jas en schoenen niet wil weggooien, maar het heeft ook wel iets charmants.
Ook noemt hij mij al jaren “he” in plaats van Joke. Als ik nou Heleen zou heten, dan kon het er nog mee door.
Vroeger had ik nog een koosnaampje, daar is de verkoopdatum allang van voorbij, net als van hem trouwens.
Ik noem hem mijn sprookjesverteller, maar dat is negatief bedoeld.
Na twee nachten varen zijn er al twee doden, vertelt de scheepsarts. Wij zijn de jongsten aan boord, de rest is tachtig plus.
Als je sterft aan boord tijdens een lange cruis, wordt er aan je partner gevraagd, wat er moet gebeuren: een zeemansgraf, in de diepvries, of bij het eerste stukje land met een start en landingsbaan naar huis per vliegtuig.
Na vier dagen waren en vier doden, allemaal mannen waarvan de vrouwen doodleuk (vergeef mij de woordspeling) besloten, nu ze er eenmaal toch waren, om palief in de vrieskast(kist) te bewaren en de reis gewoon af te maken.
Ook kwamen er twee gebroken armen en twee gebroken benen bij, van dronken droppies die ‘s nachts olijk op de spekgladde houten teakdekken een doodsmak maakten na te veel alcoholische versnaperingen (je hoeft hier immers toch niet met de auto naar huis te rijden)
De dekken lopen iets af naar de spuigaten, zodat het water bij slecht weer in zee kan lopen.
Na vier doden en evenzovele gewonden werden we gigantisch melig. We noemden de boot “huize avondrood”in plaats van “Black Princess” en we verlangden naar koelte en een stukje land, net als Columbus zo stel ik mij voor.
En ja, ineens zien we zeemeeuwen en vliegen, land in zicht! Een kustlijn met bomen die op grote broccolistruiken lijken. Veel felgekleurde huisjes.
Toen we aanlegden begon het te regenen en niet zón onschuldig buitje als in Nederland, maar echt een tropische regentijd vloedgolf. Modderstromen uit de bergen en meteen ondergelopen straten met gele bagger. De eilanders lopen onverstoorbaar met van alles boven hun hoofd gewoon door. Zwermen kakkerlakken zo groot als muizen, strijken op de dekken neer om beschutting te zoeken onder de zonneschermen, die nu als regenschermen dienen. Alle plagen van Egypte lijk het.
Na een uurtje komen schitterende regenbogen tevoorschijn boven de bergen, een dampend eiland in de plotselinge middagzon en alle komt gewoon weer op gang.
We gaan van boord en kopen paraplu’s en een prachtige parelketting.
(De sprookjesverteller heeft net in de Telegraaf gelezen die hij hier heeft gekocht, dat hij een aardig kapitaaltje gaat verdienen met zijn aandelen, toch handig een telefoon in je hut, waar je je bank mee kunt bellen.)
Ook worden er door de heren kisten met Cubanen gekocht en sigaretten in een piepklein winkeltje waar ook bananen en rare rode vruchten verkocht worden.
Als de eigenaar even niet oplet vliegen er kippen naar binnen die in de rode vruchten pikken.
Een klein kind met prachtige bruine ogen zit in de modder te spelen meet twee stokjes voor de winkel.
Gek genoeg is hier ook een Philips zaak op het eiland, waar een van de vrienden zijn tweede scheerapparaat koopt van deze vakantie, omdat ze aan boord doorbranden. De andere helft van het stel koopt twee nieuwe broeken en een korte broek, omdat hij nu al overal is uitgegroeid.
’s Nachts varen we ongemerkt naar St. Vincent. Het eiland doemt ‘s morgens op uit de mist als een kolossaal zeedier met een gekroesde groene vacht.
Het strand is bijna perfect wit nu we er vlakbij zijn.
Reusachtige scheve palmbomen, die zachtjes heen en weer zwaaien in de hete wind geven schaduwen op het strand.
De tender zet ons af op het strand. De warme zee krult om je benen als een poes. Er liggen haaiennetten in zee met rode drijvers. Cafétjes op het strand met felgekleurd afgebladderd meubilair.

Kleine kinderen spelen in het groene heldere water met haveloze zwembroeken aan. Ze roepen:”Money, Money!”naar ons. We gooien geld in het water, wat ik erg vernederend vind, alsof je een inlandse koningin bent die haar onderdanen et wat afscheept, maar de kinderen duiken de muntjes lachend en tegen elkaar aan kakelend op.
We gaan kreeft eten met lokaal bier erbij. Lekker en goedkoop. Heerlijk onder de palmbomen.
‘s Avonds aan boord gaan we nog heel laat naar het casino. Er hangt een blauwe sigarettenwalm boven de tafels. De mensen drommen tegen elkaar aan en gokken er lustig op los. ‘s Nachts wordt er nog een koud buffet neergezet. Maar ik zie ineens de magere haveloze kinderen voor me en eet er geen hap van.
Antiqua is de volgende stop. We gaan een dag niksen op het strand. Een reuzin van een komt zwetend geld ophalen in het uniform van een buschauffeur voor ligstoelen en parasols. Het is hier snikheet. We mogen gebruik maken voor het zwembad en de toiletten van het Hilton Hotel, waar ook het strand van is. Dat wil zeggen bewaakt en zonder bedelaars. Er loopt hier een houten pier in zee met aan het eind ervan een restaurant. Boekanier Beach heet dit gedeelte van het eiland. Volgens de berichten het enige veilige door de haaiennetten.
Lokale vrouwen lopen met omslagdoeken en hoeden te venten. Ik koop twee omslagdoeken en een zonnehoed en ding niet af. De lucht boven zee trilt van de hitte en wordt wazig. Alleen Europeanen zitten nu op het strand. De lokale bevolking heeft de koelte van hun huizen opgezocht. Veel verstandiger natuurlijk.
De sprookjesverteller denkt in de Tropen dat hij nog achttien is en gaat waterskien. Ik moet hem filmen, maar aangezien ik niet kan filmen met een bril op, film ik de verkeerde man...
Als lunch bestellen we bij het Pelikaan restaurant tosti’s, chips, bier en water.
De volgende ochtend strompelt mijn wederhelft zijn bed uit van de spierpijn.
Om hem te pesten zeg ik dat hij na het ontbijt vast naar de lunchzaal op weg moet, zo langzaam loopt hij.
‘s Nachts als we varen wordt de deining langer. Ik kijk uit de patrijspoorten en ga liggen lezen tot de volgende morgen.
We gaan slavenforten bekijken de volgende ochtend. Grauwe gebouwen aan het strand. De slaven werden door o.a. de Hollanders uit Ivoorkust gekaapt en naar hier gebracht om te werken op de suiker-, koffie-, en bananenplantages.
Mannen en vrouwen werden apart verkocht net als de kinderen. Wat een walgelijke hap voorouders hadden wij zeg! Als ik nu gekleurde mensen door de stad zie lopen moet ik daar nog altijd aan denken.
Er is zoals op elk eiland een krater en een botanische tuin. Maar dat hebben we allemaal al gezien, dus we gaan bij het scheepszwembad liggen lezen en roken.
Op de terugreis wordt er van alles georganiseerd richting Tenerife. Je kunt bridgen, bloemschikken en leren servetten vouwen. Behalve bridgen kennen wij die bezigheden al vanuit ons vak. En ik hoef niet zo nodig te bridgen midden op de oceaan.
We gaan over de reling hangen om naar groepen dolfijnen te kijken, die met ons mee zwemmen en stukken kauwgom naar beneden gooien om te zien hoe hard we varen.
Als we op Tenerife aankomen is het slecht weer. In vier uur vliegen we richting Amsterdam. Heel onwerkelijk om midden in de winter te belanden, maar ook wel lekker om thuis te zijn.

 

JOGRO


hamer

Alle rechten voorbehouden.Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd,
opgeslagen in geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt worden
gemaakt  in enige vorm of op enige wijze, zonder voorafgaande schriftelijke
toestemming van de uitgever.