HOME logolw logoplattegrond
E-MAIL
  UNIVERSITEIT LEIDEN   Universitaire bibliotheek Leiden GILDE LEIDEN
 
 

 

DE LAATSTE NEDERLANDERS
Na een slechte winter is het dit jaar al vroeg lente. Er hangt 's morgens een fijne mist over het reservaat, als vitrage in de bleke zon.
Een wazig groen sluiert door de bomen. Iedere dag wordt het een beetje warmer.
Het is heerlijk om vroeg op te staan en door het kamp te lopen. Er zijn nog maar weinig mensen wakker.
Ik ga samen met mijn oma ontbijten. De bakkerij geurt naar vers brood.
Als ik terug kom, vertelt zij mij het navolgende verhaal van mijn familie. Er was eens een man honderd jaar geleden.
Hij was homofiel, wat je in die jaren (ca. 2000) heel gewoon hardop kon zeggen.
Hij zag er chic uit, met maatpakken, roze overhemden, lakschoenen, een Jaquar en een butler.
Hij had lieve ogen en een bizar gevoel voor humor. Hij wilde ons land en vooral de politiek wakker schudden.
Hij durfde te zeggen wat wij alleen maar dachten: over het asielbeleid, de zorg voor ouderen en zieken, het onderwijs e.d.
Hij werd uitgemaakt voor racist en narcistische flikker ( dat laatste vond hij vast het minst erg).
Hij werd vermoord. De mond gesnoerd om wat hij zei. Zijn dood was het ultieme bewijs van de toen veel te tolerante samenleving.
Na de moord nam de islam het voortouw en trok de teugels strakker aan in Nederland.
Ze bestormden ons land als Noormannen, woest en barbaars, zonder rekening te houden met de autochtone bevolking, vrouwen werden als debiel behandeld. De weinige originele Nederlanders die er nog waren, werden geïnterneerd in reservaten.
Ze werden naar kampen gebracht op de Waddeneilanden, die geen enkel economisch belang hadden voor de islam.
Om wat bij te verdienen maakte mijn vader met de hand klompen en mijn moeder en zuster haakten prachtige spreien. Iedere dag werden er in het reservaat kraampjes neergezet met handelswaar, waarmee we ons schamele inkomen een beetje probeerden aan te vullen.
Mijn oma had haar eigen kraampje, net zoiets als je een eeuw geleden patat en kroketten aan de weg kon kopen, vertelde ze.
Ze was een van de weinige vrouwen in het reservaat die de hollandse kookkunst nog meester waren.
Ze had een eigen groenten- en kruidentuin aangelegd. (Sommige bewoners waren een beetje bang van haar en beschouwden haar als een soort heks met haar lange haren en kookketels.) Ze droeg altijd lange India-jurken met roze schelpen van het strand als sieraden.
Ze had prachtige lange vlechten. Over haar gezicht lag een spinnenweb van rimpels.
Ze maakte iedere dag voor de honderden islamitische toeristen die ons reservaat bezochten, samen met andere vrouwen,
authentieke Oudhollandse gerechten, zoals: oliebollen, stroopwafels, erwtensoep,gebraden kip met verse appelmoes en kaneel, gekookte aardappelen, pannenkoeken en appeltaarten. De toeristen waren gek op haar heerlijke eten.
Ze mochten dan weliswaar tegen ons geloof en onze zeden zijn, maar dat schoven ze maar al te gauw opzij, als ze zich tegoed deden aan haar lekkernijen. Mijn voorouders zijn hier vele jaren geleden vanaf het vasteland naartoe gebracht.
Eerst in volgepakte treinwagons en vanaf Den Helder met boten die tot in het ruim waren volgepropt. Volgens mijn oma herhaalt de geschiedenis zich, maar ik weet niet wat ze daar mee bedoelt. Er waren toentertijd nog 15 miljoen inwoners in Nederland, waarvan ook vele originele Nederlanders.
Nu zijn we nog maar met een paar duizend over.
We mogen niet van de eilanden af, alleen bij ernstige ziekte mogen wij naar een ziekenhuis in Amsterdam of Leeuwarden.
Maar dat is in het belang van onze over- heersers, want al vinden ze onze vrouwen hoeren en onze mannen varkens, als we doodgaan zijn we verplicht onze lichamen aan hen te doneren.
Als je naar een ziekenhuis moet op de vaste wal, wordt er een helikopter voor je geregeld. (ze denken dan zeker, dat je verser blijft,
als je er eerder bent). Je moet, al ben je nog zo ziek, een lange jurk aan en een bedekking op je hoofd hebben.
We moeten die dragen in de kleuren: rood, wit, blauw en oranje, dan val je goed op als Autochtoon.
Mijn familie heeft het er moeilijk mee.
Mijn opa en twee broers zijn al gedoneerd aan de islam.
Vroeger werd je volgens mijn oma begraven of verbrand, als je dood ging, dan kon je familie bloemen bij je graf zetten, bijvoorbeeld op je sterfdag of verjaardag, maar dat heb ik nooit meegemaakt.
Ik zou niet weten hoe een kerkhof (zo heet dat waar je een eeuw geleden begraven werd) er uitziet. Eigenlijk zou ik graag naar een hogere school gaan om verder te leren, maar dat is verboden. Mijn oma heeft altijd een vrolijk en optimistisch karakter.
Als ik loop te treuren over mijn toekomst, vrolijkt ze me altijd op en zegt dan:
Ik zal je leren koken, zoals ik dat kan, dan kun je altijd voor jezelf zorgen als ik gedoneerd ben
( ik vrees, dat, dat niet lang meer zal duren, ze is al 130 jaar).
Ze heeft ook in het reservaat een soort gedenktuin in de duinen gemaakt voor onze gedoneerde met vrolijke bloemen en de namen op houten planken geschreven, die wij van wrakhout op het strand voor haar verzamelen.
De jongetjes die hier geboren worden, heten bijna allemaal Pim.
Als ik aan haar vraag waar die naam vandaan komt, krijgt ze een wazige blik in haar ogen en lijkt terug te staren in het verleden.
Ze weet het niet meer, zegt ze. Ik laat het maar zo, want de kinderen worden nooit bij hun naam genoemd in de nabijheid van onze heersers.


JOGRO

http://agnesday.com/wp-content/uploads/2014/02/internet-copyright-protection.jpg
Alle rechten voorbehouden.Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd,
opgeslagen in geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt worden
gemaakt  in enige vorm of op enige wijze, zonder voorafgaande schriftelijke
toestemming van de uitgever.